Voorproefje uit Diamant in het Zand
Hoeveel toevalligheden kan een mens verdragen voordat men de de boodschap herkend?
1 GIZEH
Na weken van mist en motregen draait de wind naar het noordoosten en wordt de kou scherp als een scheermes. Mij deert het niet meer; mijn gedachten zijn al in Zuid-Afrika.
Voor de tweede keer ga ik in Kaapstad op huizen passen. Welgestelde Zuid-Afrikanen laten hun woning tijdens de kerstvakantie liever niet onbeheerd achter. Iemand moet toch voor de huisdieren zorgen. Het is eenvoudig en voor mij een goedkope vlucht naar de zon.
Mevrouw Groenemeyer heeft drie adressen voor me geregeld.
Deze keer hoop ik de lange nachtvlucht te onderbreken met een tussenstop in Caïro.
De Grote Piramide van Giza fascineert me al sinds mijn achttiende. Hoe langer ik het monument bestudeer, hoe meer het op een geslepen diamant gaat lijken, waarin mysteries oplichten die ik niet volledig kan doorgronden. Ik hoop die gedachten tot een roman te slijpen om zelf ook dit laatste overgebleven wereldwonder uit de oudheid beter te kunnen begrijpen.
Tegen mijn gewoonte in boek ik een tamelijk dure kamer met uitzicht op de piramiden. De uitgave voor mezelf rechtvaardig ik als noodzakelijk onderzoek en hoelijk belasting aftrekbaar. De titel van mijn roman wordt Diamant in de Woestijn of Diamant in het Zand.
Mijn eerdere idee, Juwel langs de Nijl klinkt te veel als een echo van de film The Jewel of the Nile, die ik nog nooit gezien heb. Ook in die titel blijft het beeld van een edelsteen bestaan, en daarmee de gedachte aan licht, schoonheid en een verborgen waarde.
Misschien ontvouwt deze reis een stille profetie voor mijn boek, iets innerlijks, een omwenteling die nog niemand opmerkt.
Terwijl het vliegtuig boven Caïro cirkelt, strekt de Nijldelta zich onder mij uit. Een ogenblik lijkt haar omtrek een reusachtige driehoek te vormen. Is de gelijkenis met een piramide louter toeval? Ik druk mijn voorhoofd tegen het raampje totdat de vleugel het uitzicht wegneemt.
Op de luchthaven slaat de warmte als een deken om me heen. Zodra mijn koffer op de bagageband verschijnt, trek ik mijn winterlagen uit. De transfer naar het hotel voert door straten vol lawaai, stof en een onafgebroken stroom van verkeer. Auto's wringen zich door openingen die nauwelijks bestaan, terwijl claxons een taal lijken te spreken die alleen de chauffeurs schijnen te begrijpen.
Een gesluierde vrouw met zielige ogen bedelt bij het raam.
Het contrast met het hotel is overweldigend, bijna theatraal in weelde. Op het dakterras biedt een vriendelijke serveerster mij een glas verse mangosap aan. De zoete smaak en de warmte zijn een welkom dat ik na de grijze Hollandse winter nauwelijks durfde te verwachten.
Ik blijf bij de balustrade staan voordat ik haar mijn lege glas teruggeef. Ondanks haar getinte brilglazen vallen haar lichte ogen op. Ik zie nu dat haar linker oog lichtelijk loenst.
‘Dank u. Het was echt heerlijk.’
Ze wenst me een prettig verblijf en loopt verder om de volgende gast te verwelkomen.
Vanuit mijn kamer zijn de piramiden in de verte duidelijk zichtbaar, precies zoals beloofd. Ze zijn schijnbaar onaangetast door de eeuwen die voorbijgingen. Ik zit maar een paar minuten op het balkon voordat mijn ongeduld het wint. In plaats van uit te pakken, trek ik mijn korte broek en wandelschoenen aan om naar de piramiden te lopen.
Op iedere hoek van het hotel staan bewakers en bij de bevoorradingsruimte, hoopt het vuil zich op in iedere hoek. Kippen die bijna al hun veren kwijt zijn, krijsen vanuit plastic kratten. De stank van afval en uitlaatgassen blijft in de warme lucht hangen. Bewakers kijken slechts.
De omliggende straten zijn smal en stoffig, met afval waar je ook kijkt. Ook hier staan bewakers roerloos toe te kijken zonder in te grijpen, gezag zonder zichtbare handeling. Kinderen schieten tussen geparkeerde auto's door en verkopers roepen me na.
Buiten de stad opent de ruimte zich in zonlicht, lucht en stilte, hoewel zelfs hier plastic als een tweede huid aan het zand kleeft. Ik zeg tegen mezelf dat ik niet gekomen ben om te oordelen. Toch blijft het beeld van de kale kippen me achtervolgen. Zouden ze levend geplukt zijn?
De necropool lijkt bedrieglijk dichtbij, maar de wandeling duurt steeds langer. Langs de weg volgen de aanbiedingen elkaar op, auto's, kamelen en paardenkoetsen, die me allemaal de snelste of goedkoopste rit beloven. Ik wijs ze af en loop verder, koppig vastbesloten mijn eerste ontmoeting met de piramiden te voet te volbrengen.
Eindelijk bereik ik het plateau van Giza.
De piramiden overweldigen me en stellen me vreemd genoeg tegelijk teleur.
Op het eerste gezicht zijn het eenvoudigweg bergen van steen, terwijl het mysterie dat me al tientallen jaren vergezelt zich niet onmiddellijk prijsgeeft. Toeristen poseren voor foto's, kamelen kreunen en gidsen bieden zich aan.
Ik verwijder me van de drukte en loop om de Grote Piramide heen, op zoek naar de oorspronkelijke bekledingsstenen. Het grootste deel van de gladde witte buitenlaag is eeuwen geleden verwijderd om in Caïro te worden hergebruikt. Aan de voet liggen nog enkele stenen op hun plaats.
Tijdens de vlucht heb ik gelezen dat sommige van deze blokken wel vijftien ton wegen. Ze zijn aan alle zes zijden met vrijwel volmaakte rechte hoeken gehouwen en pasten zo nauw op elkaar dat er nauwelijks een papiertje tussen gestoken kon worden. Ooit waren het er mogelijk ongeveer 144.000.
Waar heb ik dat getal, 144.000, eerder gehoord?
Ik ga zitten op een steen en staar omhoog. Waarom besteedden de bouwers er zoveel moeite aan? Het is dezelfde vraag die me al jaren achtervolgt: wat was het werkelijke doel van dit monument?
Ik had een echte gids moeten nemen, maar in plaats daarvan dwaal ik rond en verspil mijn tijd door Hollandse zuinigheid. Terwijl ik omhoogkijk naar de enorme steenblokken die boven me oprijzen, komt een nieuwe vraag in me op.
Hoe hoog zou ik nog kunnen klimmen op mijn leeftijd? Ik grinnik.
Overal staan bewakers, maar hoog bovenop zie ik mensen bewegen, klein afgetekend tegen de ontzaglijke massa van de piramide. Misschien is toestemming hier een rekbaar begrip, of eenvoudigweg te koop.
Ik wacht totdat de dichtstbijzijnde bewaker zich omdraait, zet één voet op het onderste blok en begin te klimmen. De steen voelt warm onder mijn handen terwijl ik mezelf optrek. Iedere laag is hoger dan verwacht en dwingt me mijn knieën op te trekken als een kind dat over een muur klautert.
Niemand roept en er klinkt geen fluitsignaal.
De warmte van de steen trekt in mijn lichaam en wist de herinnering aan de lange Nederlandse winter uit. Ik kom op adem en terwijl ik tegen de oeroude steen leun, wordt mijn gevoel van triomf al snel verdrongen door verbazing.
Is ieder blok werkelijk door mensenhanden uitgehakt, versleept en onder een brandende zon op zijn plaats gelegd? De bouwers beschikten niet over moderne machines en werkten schijnbaar zonder haast, alsof tijd minder belangrijk was dan nauwkeurigheid.
Voorstellingen van strijdwagens en wielen die in reliëf zijn uitgehouwen flitsen door mijn gedachten, al weet ik niet of ze uit de geschiedenis komen of uit de Hollywood studio’s.
Misschien hebben zij de stenen helemaal niet verplaatst of zal deze berg van steen ooit al het andere in beweging brengen.
Wanneer het licht begint te vervagen, daal ik af. Een fluitsignaal snijdt door de lucht, gevolgd door een tweede, maar zonder om te kijken steek ik verontschuldigend mijn hand op en zet ik mijn weg naar beneden voort.
Het hotel in de stad roept me terug. Al begin ik moe te worden, mijn geest ontwaakt. Achter mij blijven de piramiden geduldig staan, wachtend op mijn komst morgen.
Het diner wordt geserveerd op hetzelfde hotelterras, waar verschillende gasten steeds naar de donkere silhouetten in de verte kijken, bijna alsof ze verwachten dat de piramiden plotseling tot leven zullen komen.
‘Mag ik een tapbiertje, alstublieft.’
Wanneer dezelfde serveerster van de middag terugkomt met een flesje, kijk ik licht teleurgesteld.
‘Ik had op bier van de tap gehoopt.’
Ze glimlacht beleefd. ‘Egypte is overwegend islamitisch, meneer. In hotels is alcohol verkrijgbaar, maar de keuze is soms beperkt.’
Op dat moment lichten de piramiden op het plateau van Giza op. Er gaat een gemurmel over het terras, gevolgd door verspreid applaus, terwijl de monumenten één voor één uit de duisternis tevoorschijn komen. Voor het eerst die dag beantwoorden ze het beeld dat jarenlang in mijn gedachten heeft bestaan.
Wanneer de serveerster zich weer naar mij omdraait, vraagt ze wat ik wil eten.
‘Geen kip. Ik heb de dieren achter het hotel in kratten gezien.’
‘Ik begrijp het, meneer. De normen voor dierenwelzijn zijn hier nog in ontwikkeling. Mag ik het gegrilde rundvlees aanbevelen?’
‘Worden de koeien dan beter behandeld?’ vraag ik, niet in staat de verleiding te weerstaan haar te plagen.
Ze trekt één wenkbrauw op. ‘Misschien kunt u beter het vegetarische gerecht nemen.’
Voordat ik kan antwoorden, draait ze zich om en laat me glimlachend naar de menukaart kijken.
Later, wanneer ze mijn nagerecht brengt, vraag ik of ze een professionele gids kent die me morgen rond de piramiden kan leiden. Haar gezicht klaart op, maar bijna onmiddellijk kijkt ze voorzichtig om zich heen.
‘U moet bij de receptie om een gids vragen, meneer. Ik ben zelf officieel gids en studeer aan het Theologisch Seminarie van Caïro maar werk hier om mijn studie te kunnen betalen.’
‘Dat is ook toevallig! Hoe heet je? Dan vraag ik straks naar jou. Ik heet Tom.’
Zonder erbij na te denken steek ik haar mijn hand toe. Ze buigt licht en legt beide handen tegen haar borst.
‘Mijn naam is Petra. Aangenaam kennis met u te maken, meneer Tom, maar ik moet u helaas teleurstellen. Het hotel wijst de gidsen bij toerbeurt toe en morgen is het zondag, mijn vrije dag.’
Ik grijns. ‘Dat klinkt toch perfect? Als je vrij bent, kun je me rondleiden.’
Haar uitdrukking wordt onmiddellijk ernstig. ‘Nee, meneer. Als ik u buiten het hotel om rondleid, kan ik mijn baan verliezen.’
Met een bijna verontschuldigende glimlach buigt ze nogmaals en loopt weg, een dienblad vol borden in evenwicht houdend. Ik kijk haar na terwijl ze zich efficiënt en gracieus over het terras beweegt. Waarom moet een bevoegde gids hier tafels bedienen?
Wanneer ze me later koffie aanbiedt, demp ik mijn stem.
‘Mag ik hier wachten tot je dienst erop zit?’
Ze kijkt om zich heen en geeft me daarna het kleinst mogelijke knikje.
Tegen de tijd dat de lichten op de necropool doven en de meeste andere gasten zijn vertrokken, komt ze terug naar mijn tafel.
‘Het spijt me, meneer, als ik eerder onbeleefd was.’
‘Onbeleefd? Ik was degene die plaagde. Ga even zitten.’
Ze aarzelt, controleert of niemand kijkt en neemt plaats op de stoel tegenover me.
‘Ik schrijf een roman over de Grote Piramide en zoek geen gewone toeristische rondleider. Ik wil een professionele lezing van iemand die het monument werkelijk begrijpt.’
Ze bestudeert me een ogenblik, alsof ze probeert te bepalen of ik oprecht ben of ben gestuurd om haar te controleren.
‘Dat klinkt als een ander soort verzoek.’ Fluistert ze en werpt een blik naar de ingang van het terras. ‘Morgenochtend om elf uur kunt u mij ontmoeten bij de ingang het hotel.’
‘Dat zou geweldig zijn.’
‘Op één voorwaarde, u moet onze afspraak geheimhouden. Ik draag een donkere hijab en een grote zonnebril.’
Ik knik. ‘Natuurlijk, maar waarom die vermomming?’
‘Dat leg ik u morgen uit, meneer Tom.’
Voordat ik nog iets kan vragen, staat ze op en verdwijnt in het hotel.
Ik blijf op het terras achter en kijk met stille tevredenheid naar de piramiden in het maanlicht.
Ik zou me bij de laatste gasten aan de bar kunnen voegen, maar in plaats daarvan ga ik naar mijn luxe kamer.
Uitgestrekt op het kingsize bed, met het prachtige panorama van de piramiden omlijst door het raam, voel ik me toch rusteloos en kan de slaap niet vatten.
Morgen ontmoet ik een gids die zich vermomt om mij rond te leiden.
Hier eindigt het voorproefje. Diamant in het Zand verschijnt naar verwachting in 2027.
Maak jouw eigen website met JouwWeb